Berichten voor Princenhage
  Nieuwsarchief
  Evenementen
  Zoek winkel of onderneming
  Uitgaan en eten
  Winkelen in België/Frankrijk
  Princenhage in foto's
  Kerkelijk leven, moskee
  Weerberichten
  RECLAMEFOLDERS
  Albert Heijn
  Aldi Supermarkt
  Dirk van den Broek
  Etos Princenhage
  ISPC-Hanos
  Jumbo
  Lidl Prinsenbeek en Breda
  Makro aanbiedingen
  Sligro folders
  Woonboulevard Princenhage
  Winkelhart Etten-Leur
  Apotheken
  Banken/geldautomaat/Mr Cash
  Bibliotheek, digitheek
  Brandweer
  Dierenzaken
  Dokters, geneesheren, tandarts
  Gas en licht, energie
  Links naar andere sites
  Gemeente, afval, zorg, vervoer
  Internet, WiFi
  Musea
  Onderwijs, kinderopvang
  Politie
  Postkantoor
  Sport / recreatie
  Televisie kijken
  Verenigingen, sociaal werk
  Wonen in Princenhage
  Wijkraden in de omgeving
  Wijkblad-Lapteen-De Stem
  Princenhage in een notedop
  Colofon
  Genealogie Kuipers
  Zonwering Breda Nooren van der Avoird

 

 

 


Feestdag H. Dymphna in de kapel van Gageldonk (15.5)
De  Kapel van Gageldonk is een klein, uniek historisch bouwwerk in het gebied van de Haagse Beemden. De bouwtijd is geschat op het begin van de zestiende eeuw. Mogelijk heeft u het gebouw wel eens opgemerkt of heeft u de gelegenheid gebruikt om een moment van rust te nemen waarbij ook een kaarsje kan worden opgestoken. In de lichte ruimte van het gebouw trekt de gewenste stilte de benodigde aandacht. Voor uw gedachten, dichter bij God.

Feestdag H. Dymphna
De kapel is gewijd aan de H. Maagd Maria. Ook is er de traditie dat de H. Dymphna, de patrones van de bezetenen en geesteszieken en de beschermheilige tegen epilepsie en krankzinnigheid, in de kapel vereerd zou worden.
Jaarlijks wordt daarom op 15 mei, de feestdag van de H. Dymphna, een H. Mis opgedragen, dit jaar door pastoor Jos Demmers. Aanvang: 19:00 uur.  

Locatie: Moerenpad 10, (Haagse Beemden) te Breda.

Maandelijkse Vesperviering
Verder is er iedere eerste zondag van de maand een gelegenheid voor rust en overweging. Wij bidden dan de eeuwenoude psalmen en bidden voor elkaars en eigen intenties. Het zijn 15 minuten die uw zondag verdere diepgang kunnen geven.

Voor meer informatie: http://www.kapelmariadymphna.nl

Geschiedenis kapel

Beschrijving kapel door stadsarchivaris drs Lohman

De voorgeschiedenis

Toen op 1 juli 1976 de gemeente Prinsenbeek de oostelijke helft van haar grondgebied moest afstaan aan de gemeente Breda, werd het monumentenbezit van deze stad verrijkt met een klein maar uniek historisch bouwwerk, de kapel van Gageldonk, of zoals de oorspronkelijke naam in de 14de eeuw luidde 'Capelle S. Marie in Gageldonck'.

De kapel is slechts een achttal meters lang en ruim vier meter breed. In zijn beschrijving van monumenten in de voormalige Baronie van Breda (1912) schatte de kunsthistoricus Jan Kalf op grond van de stijlkenmerken de bouwtijd van de kapel op het begin van de zestiende eeuw. Zeker is echter dat er reeds vroeger op Gageldonk een kapel heeft bestaan. Zij wordt namelijk genoemd in de registers van beneficiën (kerkambten met een vast inkomen) in het aartsdiakenaat Kemperland. Dit was een onderdeel van het uitgestrekte bisdom Luik waartoe vóór 1559 het huidige West‑Brabant hoorde.

In het oudste register, dat nog van vóór het jaar 1400 dateert, wordt een 'altare in Gageldonc' vermeld. In een register van 1485 is sprake van een 'Capella S. Marie in Gageldonck' en wordt deze als 'castralis' dus bij een kasteel behorend, betiteld. Er was een inkomen van vijftig rijnsgulden aan verbonden met de verplichting van vier missen in de week. In het bovengenoemde oudste register van beneficiën wordt als plaatsvervanger van Hughemannus, rector van de Gageldonkse kapel, genoemd Arnoldus van Waspyc, die in de tweede helft van de veertiende eeuw heeft geleefd.

Op grond van deze gegevens kunnen wij aannemen dat de eerste kapel in het laatste kwart van de veertiende eeuw is gesticht.

De huidige kapel

Waarschijnlijk is de eerste kapel geen afzonderlijk gebouw geweest, maar maakte zij deel uit van het kasteelcomplex. Het is althans opmerkelijk dat in uitvoerige beschrijvingen van de Gageldonkse goederen zoals in het testament van Willem de Bye uit 1465 bij de leenverheffing in 1504 van een kapel niet werd gerept. Als gebouw wordt zij voor het eerst genoemd in een leenbeschrijving van 25 april 1520, waarin sprake is van de 'huysinge van Gageldonck metten Hazenberg daer de capelle op staet.'

Leden van aanzienlijke Bredase families zijn in het bezit geweest van het beneficie van Gageldonk, zoals Wilhelmus Sterken, deken van het kapittel van de Onze‑Lieve‑Vrouwekerk, die in 1401 overleed. Reinirus Sterken, ook Forris genaamd, kapelaan van deze kerk, nam in de jaren 1418‑1421 het rectoraat van Gageldonk waar. In 1421 werd Henricus (de) Bye, terwijl hij nog subdiaken was, op voordracht van Otto van de Leck met het beneficie begiftigd. Hij was in 1438 kanunnik van de collegiale kerk in Breda en werd later deken van het kapittel. In deze functie bracht hij in 1449 het H. Sacrament van Niervaert over naar Breda.

Uit de zestiende eeuw is als beneficiant van de kapel bekend Magister Egidus (Gielis) Brienincx, die in de jaren 1559‑1566 kapelaan was van de Grote Kerk in Breda. Een van de laatste rectoren was Hermanus Holthusius of Van Holthuysen, die in 1632 met het beneficie begiftigd werd. Hij was van 1629 tot 1650 pastoor in Princenhage.

Vier missen in de week en een inkomen van vijftig rijnsgulden vormden zeker een rijke dotatie voor een kapel als die van Gageldonk, vooral in vergelijking met andere kapellen in de omgeving, b.v. Beek en Strijbeek: één H. Mis, zes gulden; Heusdenhout: één H. Mis, acht gulden; Galder: twee H. Missen, acht zester rogge.

Het is begrijpelijk dat de kapelanie van Gageldonk een begeert beneficie was en dat de bezitters van het leengoed daarmee gaarne hun familieleden begunstigden.

Patrones van de kapel

De kapel was toegewijd aan de H. Maagd Maria, zoals reeds uit het bovengenoemde register van de beneficiën bleek. Gramaye noemt haar een 'aedes Mariana'. In akten betreffende de rectoren uit de zestiende en zeventiende eeuw is sprake van de Onze‑Lieve‑Vrouwe‑kapel te Gageldonk. Er bestaat echter ook een traditie dat de H. Dymphna, de patrones tegen de zwakzinnigheid, in de kapel vereerd zou worden. A.J. van der Aa schrijft in zijn bekende Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden (1843), dat de kapel volgens sommigen aan de H. Maagd Maria, volgens anderen aan de H. Dymphna, patrones tegen de krankzinnigheid was toegewijd.

Dit wordt letterlijk overgenomen door Pastoor J.B. Krüger in zijn Kerkelijke Geschiedenis van het Bisdom Breda, die, schrijvend omstreeks 1870, er aan toevoegt: 'Nog niet lang geleden kwamen nog op den feestdag van de H. Dymphna, den 15 Mei, eenige menschen deze plaats bezoeken'. Wie de zegslieden van Van der Aa geweest zijn, is niet bekend. Dymphna was een Ierse koningsdochter, die leefde in de zevende eeuw. Gevlucht voor haar vader, die na de dood van zijn vrouw met haar wilde huwen, zou zij in de omgeving van Geel, in het huidige België, zijn onthoofd. De verering van deze heilige heeft zich vooral in deze streek verspreid. De Merode's, die heer van Westerlo en Geel waren en later in het bezit kwamen van Gageldonk, hebben misschien de Dymphna‑devotie hier bevorderd.

De Reformatie

In de ongunstige jaren van de laatste decennia der zestiende eeuw en tijdens de belegeringen van Breda in 1624/1625 en 1637 zijn de diensten in de kapel wellicht tijdelijk gestaakt. Onder pastoor Van Holthuysen zijn ze zeker hervat, misschien ook voor de inwoners van Breda, want vanaf 1637 was de uitoefening van de Katholieke eredienst binnen de stad officieel verboden. Na de vrede van Munster in 1648 werd dit verbod ook voor het platteland van kracht. De kerkgebouwen moesten door de katholieken worden ontruimd ten behoeve van de aanhangers van de gereformeerde religie.

Over het lot van de Gageldonkse kapel is helaas uit deze tijd niets bekend. Zij was particulier bezit en is daarom misschien ongemoeid gelaten. Iets duidelijker is de situatie in de 16de eeuw. De Amsterdamse oudheidkundige Andries Schoemaker, die in 1729 een reis maakte door de Generaliteitslanden en ook Gageldonk bezocht, tekende in zijn reisbeschrijving aan, dat de kapel met 'stadtsslot' gesloten was, 'omdat de superstitieuse roomsgesinden daar niet soude nestelen'. Th.E. van Goor schrijft in zijn bekende boek over Stad en Land van Breda uit 1744, dat de kapel toen was 'buyten eenig geestelijck gebruyk'. Van Van der Aa en Krüger vernemen wij hetzelfde.

In het begin van de twintigste eeuw bleek het gebouwtje door de pachter van de nabij gelegen boerderij als bergplaats gebruikt te worden, hetgeen vermoedelijk toen reeds geruime tijd het geval was.

Herontdekt

In 1907 werd de aandacht op de kapel gevestigd, toen twee leden van de Rijkscommissie, die belast was met het inventariseren en beschrijven van de Nederlandse monumenten, namelijk de secretaris Jan Kalf en architect G. de Hoog de Baronie van Breda doorkruisten. 'Het was' schreef Kalf later, 'een wondere verrassing in zoo schaars bewoonde streek tusschen Breda en Beek een eind het land in, iets dat even aan een Frieschen kerktoren deed denken, boven het dak van een onder boomen verscholen boerderij te zien uitkomen en vlak daarbij, temidden van een ruigte van struikgewas op een welving van het terrein van een oud kapelleke te vinden'. Het verwonderde Kalf ook er nog zoveel aan te treffen wat herinnerde aan de tijd, toen het gebouwtje nog voor de eredienst gebruikt werd. Het altaar was er nog met de mensa waarin de vijf ingekapte, laatgotische wijdingskruisjes nog duidelijk zichtbaar waren. In de zuidelijke veelhoekswand was een nisje met afwatering door de muur heen, de piscina dus.

Ook ontdekte Kalf dat in de dichtgemetselde vensters de aanzetten bewaard waren van gemetselde tweedelige harnassen en dat de kapel overdekt was geweest met een rondbogig houten tongewelf, waarvan de schenkels nog volledig aanwezig, maar de delen der bebording grotendeels verdwenen waren. Op de vuil geworden witte bepleistering van de muren waren de sporen van een wijdingskruis nog zichtbaar. Ondanks de toestand van verval was Kalf verrukt van het schilderachtig gebouwtje. Zijn beschrijving eindigt aldus: 'Het sterkst trof ons de milde welving van het royale rieten dak met zijn ruime overstek een prachtige schaduw op de muren legde, die als een kroonlijst van onbeschreven vorm muren en dak verbond.'

Eigendom

Het landgoed Gageldonk was met kapel in de 17de eeuw door vererving in het bezit gekomen van de graaf van Merode. Bij scheiding en deling tussen de kinderen van Werner J.B.G. graaf van Merode in 1846 werden diens goederen onder Princenhage toebedeeld aan Maria Ghislaine gravin van Merode, die in het huwelijk trad met Antonius Franciscus prins en hertog van Arenberg. Bij scheiding en deling tussen hun erfgenamen in 1912, kwamen de bezittingen in de gemeente Princenhage aan hun zoon Johannes B.E.M. prins en hertog van Arenberg. Na diens overlijden gingen zijn weduwe en kinderen in 1917 over tot publieke verkoping van hun grondbezit onder Princenhage. Een van de speciale bepalingen bij deze veiling was dat de koper van het perceel waarop de kapel stond, verplicht was deze binnen zes maanden na de toewijzing af te breken en de grond gelijk te maken met de ten noorden gelegen weg na de Achterste Emer.

Deze weg thans Moerenstraat geheten, eindigde even ten noorden van de kapel. De weg naar Beek kon men slechts bereiken over een pad op particulier terrein. De bedoeling van genoemde bepaling in de veilingvoorwaarden was blijkbaar mogelijk te maken, dat de weg in zuidelijke richting op gelijke breedte werd doorgetrokken.

Nog juist gered

Bij de veiling werd een aantal kopen toegewezen aan landbouwer H. Rops, onder andere het Hooghuis, waar hij als pachter woonde, en de omliggende grond, waartoe ook het perceel met de kapel hoorde. Rops was nu dus genoodzaakt het gebouwtje te slopen en verkocht het daartoe voor afbraak aan de aannemer J. Boot in Beek. De slopersplannen waren echter bekend geworden op het ministerie van binnenlandse zaken, waaronder de monumentenzorg destijds ressorteerde. Volgens een mondelinge overlevering was dit te danken aan de pastoor van Beek, dr. A. Resemans. Hij was geboren en getogen in de nabijheid van Gageldonk en had de kapel dikwijls bezocht. Om ze te redden had hij ze zelf wel willen kopen, maar hij kon zich toen een dergelijke uitgave niet veroorloven. De minister, tot wie de pastoor zich had gericht, wendde inderdaad pogingen aan om het gebouwtje voor de ondergang te behoeden. Het resultaat was dat het aan het Rijk te koop werd aangeboden, maar daarop kon om verschillende redenen niet ingegaan worden.

Toen maakte de minister de pas opgerichte vereniging 'Hendrick de Keyser' te Amsterdam op de bedreigde kapel attent. Deze vereniging wilde graag de reddende hand uitsteken, maar maakte eveneens bezwaar tegen aankoop, omdat zij in beginsel slechts panden kocht waarvan de huuropbrengst de rente van de door haar uitgegeven obligaties kon dekken. Tevergeefs richtte 'Hendrick de Keyser' tot de gemeenteraad van Princenhage een verzoek om een bijdrage voor de aankoop. De vroede vaderen van Prinsenbeek meenden unaniem dat de gemeente zich voor dat doel, het behoud van de kapel, geen geldelijke offers kon getroosten, ofschoon sommige raadsleden wel voor het behoud van de kapel voelden. De redding kwam uit Amsterdam. De toenmalige voorzitter van 'Hendrick de Keyser' de heer J.Th. Boelen, schonk aan de vereniging 3000 gulden, de som die de eigenaren respectievelijk van de kapel en van de ondergrond gevraagd hadden.

De restauratie

Kort na de tweede wereldoorlog bestonden er onder de inwoners van Beek plannen voor de bouw van een votiefkapel uit dankbaarheid voor het feit dat de gemeente voor oorlogsrampen gespaard was gebleven. De burgemeester, de heer P.J.A. Baetens, vestigde de aandacht op de kapel van Gageldonk en deed de suggestie deze volledig te restaureren en in te richten als bedehuis. Maar het gelukte niet hiervoor voldoende belangstelling te wekken. Een grondig herstel van het gebouw werd op den duur echter dringend nodig. De dakbedekking en het metselwerk vertoonden verschillende gebreken. Nog altijd waren de vensters in de absis dichtgemetseld, een ontsiering die door een, evenmin fraaie, begroeiing met klimop werd gecamoufleerd. Het meest te betreuren was dat de kapel een nutteloos ding leek, waarvoor in deze toestand moeilijk grote belangstelling verwacht kon worden. Gelukkig herleeft in 1954 het streven naar een restauratie. Het initiatief ging uit van ir. H.M. Mulder, destijds leraar aan de r.k. lycea te Breda. Hij wist de Katholieke Jeugdbeweging in het bisdom Breda ervoor te interesseren. Via de burgemeester van Prinsenbeek werd contact opgenomen met de vereniging 'Hendrick de Keyser', die op bepaalde voorwaarden tot algehele restauratie wilde overgaan. Het gebruiksrecht van de kapel zou tegen betaling van een jaarlijkse vergoeding overgedragen worden aan de St. Janstichting, de rechtspersoon die de geldmiddelen van de Katholieke Jeugdbeweging beheerde.

Deze zou het gebouw als devotiekapel mogen inrichten en het onderhoud van het interieur op zich moeten nemen. Het bestuur van 'Hendrick de Keyser' ging akkoord met een restauratieplan, dat door architect F.H.M. Mol te Breda werd ontworpen. 'Monumentenzorg' keurde het goed en een rijkssubsidie van 50% in de kosten werd in het vooruitzicht gesteld. De gemeente Prinsenbeek en de provincie Noord Brabant zegden een bijdrage toe van respectievelijk 20% en 16%.

De oorspronkelijke toestand van de kapel werd zoveel mogelijk hersteld. Van de drie spitsboogramen werd echter het middelste opnieuw dichtgemetseld, zoals bijvoorbeeld ook bij de restauratie van de St. Joostkapel in Breda gebeurd was.

In gebruikneming

Het duurde echter nog geruime tijd voordat het interieur was ingericht en de kapel werkelijk in gebruik werd genomen. De moeilijkheden die deze vertraging veroorzaakten, konden tenslotte vooral door de persoonlijk inzet van ir. H.M. Mulder worden opgelost. De pastoor van Prinsenbeek stelde een Mariabeeld beschikbaar, dat in de voorgevel van de parochiekerk had gestaan. Het werd door de Bredase beeldhouwer Jacques van Poppel gerestaureerd. Verdere benodigdheden, zoals een kruisbeeld, kandelaars, kaarsenhouders, een altaarkleed en kerkstoeltjes werden door anderen geschonken of door inwoners van Prinsenbeek gratis vervaardigd. Voor het ronde venster in de voorgevel maakte de Bredase kunstenares Akke Sins een gebrandschilderd raam met een voorstelling van de H. Dymphna. Op de feestdag van deze martelares, zondag 15 mei 1960, werd de kapel op plechtige wijze ingezegend en officieel in gebruik genomen. Zij herkreeg daarmee ‑ zoals men het toen uitdrukte ‑ 'haar gewijde bestemming' en werd 'in oude luister hersteld'.

Uiteindelijk trok de Katholieke Jeugdbeweging zich terug en bleef de functie van de kapel slechts een toeristisch gebouw. Uiteraard werd de kapel geplaatst op de lijst van beschermde monumenten in de gemeente Prinsenbeek, die in 1969 ingevolge de Monumentenwet 1961 door de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk werd vastgesteld.

STOK

Dankzij de inspanning van het bestuur van de Stichting Ondersteuning Katechese (STOK) zijn wij erin geslaagd deze kapel te beheren en ten dienste te stellen van de buurtbewoners en passanten.

De kapel in 1986. Nog geen Haagse Beemden



De Haagse Beemden nu. De rust in de omgeving van de kapel is bewaard gebleven.


Overige nieuwsberichten